Hoofdstuk 6: Over de val van de mens, de zonde en de straf op de zonde

6.1

Hoewel God de mens rechtschapen en volmaakt heeft geschapen en hem een rechtvaardige wet heeft gegeven, die hem [en zijn nakomelingen] tot leven zou strekken als hij zich eraan zou houden, en hem bij overtreding ervan met de dood bedreigde,1 bleef hij toch niet lang in deze eervolle situatie. Satan gebruikte de sluwheid van de slang om Eva te onderwerpen [verleiden], en vervolgens door haar Adam te verleiden, die, zonder enige dwang, moedwillig de wet van hun schepping, en het aan hun gegeven bevel, overtrad door van de verboden vrucht te eten,2 hetgeen God volgens Zijn wijze en heilige raad heeft willen toestaan, omdat Hij van plan was het tot Zijn eigen eer te beschikken.


  1. Gen. 2:16-17

  2. Gen. 3:12-13; 2 Kor. 11:3

6.2

Onze eerste ouders vielen door deze zonde uit hun oorspronkelijke gerechtigheid en gemeenschap met God, en wij in hen, waardoor de dood over allen kwam:5 allen werden dood door de zonde,4 en werden geheel verontreinigd in alle vermogens en delen van ziel en lichaam3.


  1. Rom. 3:23

  2. Rom. 5:12-21

  3. Tit. 1:15; Gen. 6:5; Jer. 17:9; Rom 3:10-19

6.3

Aangezien zij de wortel waren, en door Gods aanstelling in de plaats van alle mensen stonden, werd de schuld van de zonde toegerekend en de verdorven natuur overgebracht op heel het nageslacht dat door normale voortplanting uit hen voortkwam.6 Hun nakomelingen zijn vanaf dat punt in zonde verwekt,7 van nature kinderen des toorns,8 dienaars van de zonde, onderdanen van de dood9 en alle andere ellende, geestelijk, tijdelijk en voor eeuwig, tenzij de Heer Jezus hen daarvan bevrijdt.10


  1. Rom. 5:12-19; 1 Kor. 15:21-22, 45, 49

  2. Ps. 51:5; Job 14:4

  3. Ef. 2:3

  4. Rom. 6:20; 5:12

  5. Heb. 2:14-15; 1 Thess. 1:10

6.4

Uit deze oorspronkelijke [erfelijke] verdorvenheid, waardoor wij volkomen ongeschikt, onbekwaam en tegengesteld zijn aan al het goede, en geheel geneigd tot al het kwade,11 vloeien alle feitelijke overtredingen voort.12


  1. Rom. 8:7; Kol. 1:21

  2. Jak. 1:14-15; Mat. 15:19

6.5

De verdorvenheid van de natuur blijft bestaan tijdens het leven van degenen die zijn wedergeboren.13 Hoewel zij door Christus zijn vergeven en gedood, zijn toch zowel zijzelf als hun eerste bewegingen [neigingen en verlangens] ervan echt en naar waarheid zonde.14


  1. Rom. 7:18, 23; Pred. 7:20; 1 Joh. 1:8

  2. Rom. 7:23-25; Gal. 5:17