Hoofdstuk 5: Over de Goddelijke voorzienigheid
5.1
God, de goede Schepper van alle dingen, onderhoudt, leidt, beschikt en bestuurt in Zijn oneindige macht en wijsheid alle schepselen en dingen,1 van het grootste tot het kleinste,2 door Zijn zeer wijze en heilige voorzienigheid, tot het doel waarvoor zij geschapen zijn. Hij doet dit in overeenstemming met Zijn onfeilbare voorkennis en het vrije en onveranderlijke raadsbesluit van Zijn eigen wil; tot lof van de heerlijkheid van Zijn wijsheid, macht, rechtvaardigheid, oneindige goedheid en barmhartigheid.3
Heb. 1:3; Job 38:11; Jes. 46:10-11; Ps. 135:6
Mat. 10:29-31
Ef. 1:11
5.2
Hoewel, gezien de voorkennis van God en Zijn besluit als eerste oorzaak, alle dingen onveranderlijk en onfeilbaar plaatsvinden,4 zodat er niets bij toeval of zonder zijn voorzienigheid gebeurt,5 toch bestuurt Hij, door dezelfde voorzienigheid, deze zo dat ze gebeuren naar de natuur van de tweede oorzaken, hetzij ze noodzakelijkerwijs, vrij, onvoorzien, dan wel bij geval gebeuren.6
Hand. 2:23
Spr. 16:33
Gen. 8:22
5.3
God maakt in zijn gewone voorzienigheid gebruik van middelen,7 maar is vrij om zonder,8 erboven,9 en tegen hen te werken10 naar Zijn welbehagen.
Hand. 27:31, 44; Jes. 55:10-11
Hos. 1:7
Rom 4:19-21
Dan. 3:27
5.4
De almachtige kracht, onnaspeurlijke wijsheid en oneindige goedheid van God openbaren zich zozeer in Zijn voorzienigheid, dat Zijn raadsbesluit zich zelfs uitstrekt tot de eerste zondeval en alle andere zondige handelingen, zowel van engelen als van mensen11, en dit niet door toelating zonder meer [passief], maar door een die gepaard gaat met een volkomen wijze en krachtige beteugeling, besturing en regering ervan,12 in een veelvuldige [gevarieerde en complexe] bedeling tot Zijn allerheiligste doeleinden.13 Maar dit alles dan toch zo dat het zondige karakter ervan alleen uit het schepsel voortkomt en niet uit God. Hij is zeer heilig en rechtvaardig en kan de auteur van de zonde niet zijn, noch haar goedkeuren.14
Rom. 11:32-34; 2 Sam. 24:1; 1 Kron. 21:1
2 Kon. 19:28; Ps. 76:10
Gen. 50:20; Jes. 10:6-7, 12
Ps. 50:21; 1 Joh. 2:16
5.5
De meest wijze, rechtvaardige en genadige God laat Zijn eigen kinderen dikwijls voor een bepaalde tijd over aan allerlei verzoekingen en de verdorvenheid van hun eigen hart, om hen te kastijden voor hun vorige zonden, of om hen de verborgen kracht van verdorvenheid en bedrieglijkheid van hun hart te laten ontdekken, zodat zij verootmoedigd [nederig] zullen worden; en om hen op te wekken tot een meer nauwe en voortdurende afhankelijkheid van Hemzelf voor hun ondersteuning; en om hen waakzamer te maken tegen alle toekomstige gelegenheden tot zonde, en voor andere rechtvaardige en heilige doeleinden.15 Zodat alles wat Zijn uitverkorenen overkomt, door Zijn beschikking is, tot Zijn eer en hun welzijn.16
2 Kron. 32:25-26, 31; 2 Sam. 24:1; 2 Kor. 12:7-9
Rom. 8:28
5.6
De goddeloze mensen die God, als rechtvaardige Rechter, wegens vroegere zonden verblindt en verhardt,17 onthoudt Hij niet alleen Zijn genade, waardoor zij in hun verstand verlicht en op hun harten bewerkt hadden kunnen worden;18 maar soms ontneemt Hij hun ook de gaven die zij hadden,19 en stelt hen bloot aan dingen die van dien aard zijn dat hun verdorvenheid hen aangrijpt als een goede gelegenheid om hen te doen zondigen,20 en geeft hen bovendien over aan hun eigen begeerten, de verzoekingen van de wereld en de macht van Satan,21 waardoor het gebeurt dat zij zich verharden onder de middelen die God gebruikt om anderen te verzachten.22
Rom. 1:24-26, 28; Rom. 11:7-8
Deut. 29:4
Mat.13:12
Deut. 2:30; 2 Kon. 8:12-13
Ps. 81:11-12; 2 Thess. 2:10-12
Ex. 8:15, 32; Jes. 6:9-10; 1 Petr. 2:7-8
5.7
Zoals de voorzienigheid van God zich in het algemeen uitstrekt tot alle schepselen, zo ontfermt zij zich op een meer bijzondere wijze over Zijn Kerk23 en beschikt alle dingen voor haar ten goede.
1 Tim. 4:10; Am. 9:8-9; Jes. 43:3-5