Hoofdstuk 27: Over de gemeenschap van de heiligen
27.1
Alle heiligen die met Jezus Christus, hun Hoofd, verenigd zijn door Zijn Geest en door het geloof, hoewel zij daardoor niet één persoon met Hem zijn geworden, hebben gemeenschap in Zijn genade, lijden, dood, opstanding en heerlijkheid;1 en, met elkaar verenigd in liefde, hebben zij gemeenschap in elkaars gaven en genaden,2 en zijn verplicht om op ordentelijke wijze die plichten te vervullen, zowel in het openbaar als in het verborgen, die bijdragen tot hun wederzijds welzijn, zowel in de inwendige [geestelijke] als in het uitwendige [lichamelijke] mens.3
1 Joh. 1:3; Joh. 1:16; Fil 3:10; Rom 6:5-6
Ef. 4:15-16; 1 Kor. 12:7; 1 Kor. 3:21-23
1 Thess. 5:11, 14; Rom. 1:12; 1 Joh. 3:17-18; Gal. 6:10
27.2
De heiligen zijn overeenkomstig hun belijdenis [openbare getuigenis aan Christus] verplicht een heilige gemeenschap en verbondenheid te onderhouden in de aanbidding van God, én in het verrichten van andere geestelijke diensten [taken] die tot hun wederzijdse opbouw strekken.7 Ook moeten zij elkaar in uiterlijke [praktische] dingen helpen al naar gelang hun verschillende bekwaamheden en noden.8 Volgens de regel van het evangelie moeten de heiligen deze verbondenheid in het bijzonder uitoefenen in de betrekkingen waarin zij staan, hetzij in gezinnen,6 hetzij in kerken.4 Voorts moet deze gemeenschap, naarmate God daartoe gelegenheid biedt, worden uitgebreid tot het gehele huisgezin van het geloof, zelfs tot allen die overal de naam van de Heere Jezus aanroepen. Hun gemeenschap met elkaar als heiligen ontneemt [of schendt] echter niet het eigendomsrecht of de individuele eigendommen die ieder heeft in goederen en bezittingen.5
Heb. 10:24-25, 3:12-13
Hand. 11:29-30
Ef. 6:4
1 Kor. 12:14-27
Hand. 5:4; Ef. 4:28