Hoofdstuk 26: Over de kerk

26.1

De katholieke of universele kerk, die, met betrekking tot het inwendige werk van de Geest en de waarheid der genade, onzichtbaar kan worden genoemd, bestaat uit het volle aantal [getal] van de uitverkorenen, die onder Christus, haar Hoofd, al tot één vergaderd zijn, worden of nog zullen worden vergaderd. Zij [de kerk] is de echtgenoot [bruid], het lichaam en de volheid van Hem die alles in allen vervult.1


  1. Heb. 12:23; Kol. 1:18; Ef. 1:10, 22-23; 5:23,27,32

26.2

Alle personen in de gehele wereld, die het geloof van het evangelie belijden, en de gehoorzaamheid aan God door Christus overeenkomstig het evangelie, zonder hun eigen belijdenis te vernietigen door enige dwaling die het fundament ondermijnt, of onheiligheid in hun gesprekken, zijn- en mogen zichtbare heiligen worden genoemd.3 Alle plaatselijke gemeenten moeten uit zulke mensen bestaan.2


  1. 1 Kor. 1:2; Hand. 11:26

  2. Rom. 1:7; Ef. 1:19-23

26.3

De [meest] zuiverste kerken onder de hemel zijn onderhevig aan vermenging en dwaling.4 Sommige zijn zo gedegenereerd [achteruitgegaan] dat ze ophouden kerken van Christus te zijn en uiteindelijk synagogen van Satan worden.5 Niettemin heeft Christus altijd een koninkrijk gehad en zal Hij altijd een koninkrijk hebben in deze wereld, tot het einde toe, van hen die in Hem geloven en Zijn naam belijden.6


  1. 1 Kor. 5; Openb. 2 en 3

  2. Openb. 18:2; 2 Thess. 2:11-12

  3. Mat. 16:18; Ps. 72:17; 102:28; Openb. 12:17

26.4

De Heere Jezus Christus is het Hoofd van de Kerk, in Wie, door de aanstelling van de Vader, alle macht voor de roeping, institutie [instelling], orde of besturing van de kerk, op een opperste en soevereine manier is besloten [belegd].7 De paus van Rome kan in geen enkel opzicht het hoofd van de Kerk zijn, maar is die antichrist, ‘de mens van de wetteloosheid’, ‘de zoon van het verderf’, die zich in de kerk verheft tegen Christus en al wat God genoemd wordt. De Heer zal hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst.8


  1. Kol. 1:18; Mat. 28:18-20; Ef. 4:11-12

  2. 2 Thess. 2:3-9

26.5

In de uitvoering van deze macht, die Hem zo is toevertrouwd, roept de Heere Jezus uit de wereld, door de bediening van Zijn Woord, door Zijn Geest diegenen tot Zich, die Hem door Zijn Vader zijn gegeven.9 Hij roept hen, opdat zij voor Zijn aangezicht wandelen in al de wegen van gehoorzaamheid, die Hij hun in Zijn Woord voorschrijft.10 Zij die op deze wijze geroepen zijn, beveelt Hij samen te wandelen in bijzondere gemeenschappen, of gemeenten [kerken], voor hun onderlinge opbouw en de juiste uitvoering van de openbare eredienst, die Hij van hen in de wereld verlangt.11


  1. Joh. 10:16; 12:32

  2. Mat. 28:19

  3. Mat. 18:15-20

26.6

De leden van deze kerken zijn heiligen door hun roeping, die zichtbaar (in en door hun belijdenis en wandel) blijk geven van hun gehoorzaamheid aan de roeping van Christus.12 Zij stemmen ook gewillig toe om samen te wandelen, overeenkomstig de aanstelling [instructie] van Christus, waarbij zij zich overgeven aan de Heere en aan elkaar, door de wil van God, in belijdenis onderworpen aan de verordeningen [richtlijnen en bepalingen] van het Evangelie.13


  1. Rom. 1:7; 1 Kor. 1:2

  2. Hand. 2:41-42; 5:13-14; 2 Kor. 9:13

26.7

Aan elk van deze gemeenten heeft Hij [God] daarom, overeenkomstig Zijn in Zijn woord verklaarde gezindheid, alle macht en gezag gegeven, die nodig is om de orde in de eredienst en de tucht te handhaven, die Hij voor hen heeft ingesteld om in acht te nemen; samen met de bevelen [geboden] en regels voor de juiste uitoefening en uitvoering van die macht.14


  1. Mat. 18:17-18; 1 Kor. 5:4-5, 13; 2 Kor. 2:6-8

26.8

Een plaatselijke kerk, bijeengekomen en volledig georganiseerd overeenkomstig de gezindheid [de wil] van Christus, bestaat uit ambtsdragers en leden. De ambtsdragers die door Christus zijn aangewezen en op deze manier door de kerk (bijeengeroepen en samengekomen) worden gekozen en apart gezet [afgezonderd], zijn ouderlingen (of opzieners) en diakenen. Zij zijn aangesteld voor de bijzondere [exclusieve] bediening van ordinanties [instellingen] en de uitvoering van macht of dienst, die Hij hun toevertrouwt of waartoe Hij hen roept. Dit patroon dient te worden voortgezet tot het einde van de wereld.15


  1. Hand. 20:17, 28; Fil. 1:1

26.9

De door Christus aangewezen werkwijze voor de roeping van iemand die door de Heilige Geest toegerust en begaafd [gekwalificeerd] is tot het ambt van opziener of ouderling in een gemeente, is dat hij daartoe gekozen [verkozen] wordt door een algemene stemming van de gemeente zelf.16 Zo iemand moet door vasten en gebed plechtig apart worden gezet, met handoplegging van de ouderlingen van de kerk, mits die er zijn.17 Een diaken moet gekozen worden door de kerk, en ook hij moet apart gezet worden door gebed en handoplegging.18


  1. Hand. 14:23

  2. 1 Tim. 4:14

  3. Hand. 6:3, 5-6

26.10

Het werk van de herders [predikanten] is om voortdurend Christus te dienen, in Zijn kerken, door de bediening van het Woord en het gebed, wakend over hun zielen, als diegenen die rekenschap aan Hem moeten afleggen.19 Het is daarom de plicht van de gemeenten die zij dienen, om hun herders niet alleen alle gepaste eer te bewijzen, maar ook om hen een deel van hun goede dingen [materiële gaven] te geven naar hun vermogen.20 Dit is opdat zij een comfortabel [voldoende] inkomen zouden hebben, zonder zelf verstrikt te raken in wereldlijke zaken21 en ook in staat zouden zijn om gastvrijheid uit te oefenen tegenover anderen.22 Dit is voorgeschreven door de wet van de natuur en door de uitdrukkelijke opdracht van onze Heere Jezus, die verordend heeft dat zij die het Evangelie verkondigen, van het Evangelie moeten leven.23


  1. Hand. 6:4 Heb. 13:17

  2. 1 Tim. 5:17-18; Gal. 6:6-7

  3. 2 Tim. 2:4

  4. 1 Tim. 3:2

  5. 1 Kor. 9:6-14

26.11

Hoewel het aan de opzieners of predikanten van de gemeenten is om vanwege hun ambt voortdurend [ijverig en dringend] het Woord te prediken, is het werk van de prediking van het Woord niet uitsluitend tot hen beperkt, maar dat ook anderen die door de Heilige Geest daartoe begaafd en toegerust zijn, en door de gemeente goedgekeurd en geroepen zijn, het mogen en moeten doen.24


  1. Hand. 11:19-21; 1 Petr. 4:10-11

26.12

Zoals alle gelovigen verplicht zijn zich aan te sluiten bij een plaatselijke kerk, waar en wanneer zij daartoe de gelegenheid hebben; zo staan ook allen die tot de voorrechten van een kerk zijn toegelaten, onder de tucht [correctie] en het bestuur daarvan, overeenkomstig de wil [de regel] van Christus.25


  1. 1 Thess. 5:14; 2 Thess. 3:6, 14-15

26.13

Geen enkel lid van de kerk mag, op grond van een door hen begane overtreding, en nadat hij zijn plicht heeft vervuld naar degene die hij beledigt [gekwetst] heeft, de kerkorde verstoren of zich afzijdig houden van de samenkomsten van de kerk of van de uitvoering van enige ordinantie [instelling] op grond van een dergelijke belediging [kwetsing] van een van hun medeleden, maar zij moeten wachten op Christus in de verdere gang van zaken in de kerk. 26


  1. Mat. 18:15-17; Ef. 4:2-3

26.14

Zoals elke kerk en alle leden ervan verplicht zijn om voortdurend te bidden voor het welzijn en de voorspoed van alle kerken van Christus, 27 op alle plaatsen, en bij alle gelegenheden om ieder binnen de grenzen van hun plaats en roeping te bevorderen in de uitoefening van hun gaven en genaden, zo behoren de gemeenten, wanneer zij door Gods voorzienigheid zijn geplant, en zij daartoe gelegenheid en voordeel genieten, onderling gemeenschap te houden, tot [bevordering van] hun vrede, toename van liefde en wederzijdse opbouw. 28


  1. Ef. 6:18; Ps. 122:6

  2. Rom. 16:1-2; 3 Joh. 8-10

26.15

Er kunnen moeilijkheden of verschillen zijn, op het gebied van de leer of de bestuurlijke aspecten, waarin de kerken in het algemeen, of een enkele kerk betrokken is, die hun vrede, eenheid en opbouw belemmeren. Evenzo kan een lid, of leden, van een kerk gekwetst worden [onrecht lijden] in of door een tuchtprocedure die niet in overeenstemming is met de waarheid en orde. In zulke gevallen is het overeenkomstig de wil van Christus, dat meerdere kerken die samen een gemeenschappelijke band hebben, met hun afgevaardigden bij elkaar komen om de situatie te overwegen en hun advies te geven in of over de zaak waarover verschil van mening bestaat, welke aan alle betrokken kerken gemeld zou moeten worden.29 Deze samengekomen afgevaardigden zijn echter niet belast met enige kerkelijke macht, noch met enige jurisdictie over de kerken zelf, om enige tucht uit te oefenen over een kerk of persoon; of om hun besluit op te leggen aan de kerken of ambtsdragers.30


  1. Hand. 15:2-6; 22-25

  2. 2 Kor. 1:24; 1 Joh. 4:1