Hoofdstuk 24: Over de burgerlijke overheid
24.1
God, de allerhoogste [soevereine] Heer en Koning van de hele wereld, heeft de burgerlijke overheden [autoriteiten] onder Hem en over het volk gesteld, tot Zijn eigen glorie en tot het algemeen welzijn. Daartoe heeft hij hen bewapend met de macht van het zwaard, ter bescherming en bemoediging van hen die goed doen, en ter bestraffing van de kwaaddoeners.1
Rom. 13:1-4
24.2
Het is voor christenen geoorloofd om het overheidsambt te aanvaarden en uit te oefenen als zij daartoe worden opgeroepen. In het beheer [uitvoeren] daarvan moeten christenen in het bijzonder gerechtigheid en vrede handhaven,3 volgens de heilzame [wijs en nuttige] wetten van elk koninkrijk en rechtsgebied [legitieme geopolitieke eenheid]. Om dit te bereiken mogen christenen nu, onder het Nieuwe Testament, rechtmatig oorlog voeren bij rechtvaardige en noodzakelijke gelegenheden.2
2 Sam. 23:3; Ps. 82:3-4
Luc. 3:14
24.3
De burgerlijke overheden zijn door God ingesteld voor de bovengenoemde doeleinden. Wij moeten ons in alle wettige dingen die zij bevelen, onderwerpen in de Heere. Dit is niet alleen omwille van de toorn, maar ook omwille van ons geweten.4 Ook moeten wij smeken en bidden voor koningen en allen die gezag hebben, opdat wij onder hen een rustig en vreedzaam leven mogen leiden in alle godsvrucht en eerlijkheid.5
Rom. 13:5-7; 1 Petr. 2:17
1 Tim. 2:1-2