Hoofdstuk 20: Over het evangelie en de reikwijdte van de genade
20.1
Omdat het werkverbond door de zonde verbroken is, en het leven er niet meer door verkregen kan worden, heeft het God behaagd de belofte van Christus, het zaad van de vrouw,1 te geven als middel om de uitverkorenen te roepen en in hen geloof en bekering te verwekken. In deze belofte werd wat de inhoud betreft, het evangelie geopenbaard en [is] daarin werkzaam [effectief] voor de bekering en redding van zondaren.2
Gen. 3:15
Openb. 13:8
20.2
Deze belofte van Christus, en de verlossing door Hem, is alleen door het Woord van God geopenbaard.5 Ook de werken van de schepping of de voorzienigheid, met het licht van de natuur, maken de ontdekking van Christus, of van de genade door Hem, niet op een algemene of onduidelijke manier mogelijk.4 Nog minder is het mogelijk dat mensen zonder de openbaring van Hem door de belofte of het evangelie, daardoor in staat zouden zijn tot reddend geloof of bekering te komen.3
Rom 1:17
Rom. 10:14-15, 17
Spr. 29:18; Jes. 25:7; 60:2-3
20.3
De openbaring van het evangelie aan zondaars, in verschillende tijden en door verscheidene delen [op verschillende plaatsen] gedaan, met de toevoeging van beloften en voorschriften voor de gehoorzaamheid die daarin wordt vereist, met betrekking tot volken en personen aan wie het [geopenbaarde evangelie] wordt gegeven, is louter uit de soevereine wil en het welbehagen van God.6 Deze openbaring is niet afhankelijk van natuurlijke vermogens van de mensen, die ze zouden kunnen hebben door middel van gewoon [het natuurlijke] licht dat zij zonder het evangelie ontvangen. Niemand heeft ooit zo’n belofte gedaan of het vermogen getoond en evenmin kunnen zij dat.7 Daarom is de prediking van het evangelie in alle eeuwen aan personen en volken geschonken, wat de omvang of de beperking ervan betreft, in grote verscheidenheid, overeenkomstig de raad van Gods wil.
Ps. 147:20; Hand. 16:7
Rom. 1:18-32
20.4
Het evangelie is het enige uitwendige middel tot openbaring van Christus en reddende genade, en is als zodanig ruim voldoende daartoe. Maar zodat mensen die dood zijn in overtredingen, wedergeboren, levend gemaakt of vernieuwd kunnen worden, is er bovendien een doeltreffend en onoverkomelijk [onweerstaanbaar] werk van de Heilige Geest in de gehele ziel nodig, om in hen een nieuw geestelijk leven voort te brengen.8 Zonder dit werk [van de Heilige Geest] zal geen enkel ander middel hun bekering tot God bewerken.9
Ps. 110:3; 1 Kor. 2:14; Ef. 1:19-20
Joh. 6:44; 2 Kor. 4:4, 6