Hoofdstuk 19: Over de wet van God
19.1
God gaf Adam een wet van algemene gehoorzaamheid, geschreven in zijn hart,1 en een bijzonder voorschrift om niet te eten van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Hierdoor verplichtte [bond] God hem en zijn hele nageslacht tot persoonlijke, volledige, nauwkeurige [volmaakte] en eeuwigdurende gehoorzaamheid. God beloofde leven bij de vervulling van deze wet2 en dreigde met de dood bij overtreding ervan. God verleende [gaf] hem ook kracht en vermogen om zich aan de wet te houden.3
Gen. 1:27; Pred. 7:29
Rom. 10:5
Gal. 3:10, 12
19.2
Dezelfde wet die eerst in het hart van de mens werd geschreven, bleef ook na de val een volmaakte regel van gerechtigheid.4 Ze werd door God op de berg Sinaï gegeven in de tien geboden,5 en geschreven op twee [stenen] tafelen. De eerste vier bevatten onze plicht tegenover God en de andere zes onze plicht tegenover de mens.
Rom. 2:14-15
Deut. 10:4
19.3
Naast deze wet, die gewoonlijk de morele wet wordt genoemd, behaagde het God om aan het volk Israël ceremoniële wetten te geven, die verscheidene typische [zinnebeeldige] voorschriften bevatten. Sommige aangaande aanbidding [eredienst], die Christus, Zijn genadegaven, daden, lijden en weldaden voorafschaduwden.6 Sommige hielden deels verschillende instructies van zedelijke plichten in.7 Al deze ceremoniële wetten waren slechts tot de tijd van de reformatie [de eerste komst van Christus] uitgevaardigd. Zij zijn door Jezus Christus, de ware Messias en enige wetgever, Die daartoe van de Vader met macht werd toegerust, afgeschaft en weggenomen.8
Heb. 10:1; Kol. 2:17
1 Kor. 5:7
Kol. 2:14, 16-17; Ef. 2:14-16
19.4
Aan hen gaf Hij ook diverse gerechtelijke [politieke, bestuurlijke] wetten, die samen met de staat van dat volk [Israël] vervielen en die nu niemand meer verplichten op grond van die instelling; hun algemene vermogen is slechts van moreel [algemeen] nut.9
1 Kor. 9:8-10
19.5
De morele wet bindt voor eeuwig alle mensen, zowel hen die gerechtvaardigd zijn als anderen, tot gehoorzaamheid.10 Het bindt niet alleen met betrekking tot de inhoud ervan, maar ook met betrekking tot het gezag [autoriteit] van God, de Schepper, die haar gegeven heeft.11 Ook ontbindt Christus in het evangelie op geen enkele manier deze verplichting, maar versterkt ze veeleer.12
Rom. 13:8-10; Jak. 2:8, 10-12
Jak. 2:10-11
Mat. 5:17-19; Rom. 3:31
19.6
Hoewel ware gelovigen niet onder de wet zijn [leven] als een verbond van werken, om daardoor gerechtvaardigd of veroordeeld te worden,13 is zij toch van groot nut voor hen en voor anderen, omdat zij als een leefregel, die hen de wil van God en hun plicht meedeelt, hen leidt en bindt om dienovereenkomstig te wandelen. Het ontdekt ook de zondige verontreinigingen van hun natuur, hart en leven, zodat zij, zichzelf daarbij onderzoekend, tot verdere overtuiging, verootmoediging en haat tegen de zonde kunnen komen.14 Het geeft ook een duidelijker zicht op de noodzaak [behoefte] aan Christus en de volmaaktheid van Zijn gehoorzaamheid. Het is ook nuttig voor hen die wedergeboren zijn, om hun verdorvenheid te beteugelen, omdat zij de zonde verbiedt. De bedreigingen van de wet dienen ertoe om te laten zien [tonen] wat hun zonden verdienen, en welke kwellingen [verdrukkingen] zij in dit leven daarvoor kunnen verwachten, hoewel zij bevrijd zijn van de vloek en de onverminderde strengheid [ernst] ervan. De beloften van deze wet tonen hen eveneens Gods goedkeuring van de gehoorzaamheid, en welke zegeningen zij mogen verwachten bij de uitvoering [het nakomen] ervan, ook al zijn die zegeningen hun niet verschuldigd door de wet als een verbond der werken. Als iemand goed doet en zich van kwaad onthoudt, omdat de wet tot het ene aanspoort en van het andere afhoudt, is dit geen bewijs dat hij onder de wet is en niet onder de genade.15
Rom. 6:14; Gal. 2:16; Rom. 8:1, 10:4
Rom. 3:20, 7:7 e.v.
Rom. 6:12-14; 1 Petr. 3:8-13
19.7
De eerdergenoemde toepassingen van de wet zijn ook niet in strijd met de genade van het evangelie, maar stemmen op een liefelijke manier [komen in liefelijke harmonie] overeen.16 De Geest van Christus onderwerpt en stelt de wil van de mens in staat om vrij en blijmoedig te doen wat de wil van God, geopenbaard in de wet, vereist.17
Gal. 3:21
Ez. 36:27