Hoofdstuk 15: Over bekering tot leven en zaligheid
15.1
De uitverkorenen die zich op latere leeftijd bekeren, nadat ze een tijd in de staat der natuur [als niet-wedergeboren mensen] hebben geleefd en daarin verschillende lusten [zondige verlangens] hebben gediend, worden door Gods effectieve roeping bekeerd tot het leven.1
Tit. 3:2-5
15.2
Hoewel er niemand is die goed doet en niet zondigt,3 en de beste mensen door de macht en de bedrieglijkheid van hun verdorvenheid die in hen woont, met de overvloed van de verzoeking, in grote zonden en provocaties kunnen vallen, heeft God in het verbond der genade barmhartig voorzien dat gelovigen die zo zondigen en vallen, vernieuwd worden door berouw tot zaligheid.2
Pred. 7:20
Luc. 22:31-32
15.3
Dit reddende berouw is genade van het evangelie,4 waarbij een mens, door de Heilige Geest bewust gemaakt van het vele kwaad van zijn zonde, zich daarvoor door het geloof in Christus verootmoedigt met godvruchtige droefheid, verafschuwing ervan en zelfverafschuwing,5 biddend om vergeving en kracht van genade, met als doel en inspanning, door verlening van de Geest, om voor God te wandelen tot alle welbehagen in alle dingen.6
Zach. 12:10; Hand. 11:18
Eze. 36:31; 2 Kor. 7:11
Ps. 119:6, 128
15.4
Bekering moet worden voortgezet gedurende de hele loop van ons leven, vanwege het lichaam van de dood en de motieven daarvan. Daarom is het ieders plicht om zich in het bijzonder te bekeren van zijn bekende [specifieke] zonden.7
Luc. 19:8; 1 Tim. 1:13,15
15.5
De voorziening die God door Christus in het verbond der genade heeft getroffen voor het behoud van gelovigen tot zaligheid is zo groot, dat, hoewel de kleinste zonde verdoemenis verdient,8 er toch geen zonde zo groot is dat zij verdoemenis zal brengen aan hen die zich bekeren.9 Dit maakt de voortdurende prediking van bekering noodzakelijk.
Rom. 6:23
Jes. 1:16-18; Jes. 55:7