Hoofdstuk 12: Over aanneming tot kinderen
12.1
Allen gerechtvaardigd zijn, heeft God in en omwille van Zijn enige Zoon Jezus Christus- de genade van de aanneming geschonken,1 waardoor zij opgenomen worden onder het getal van de kinderen van God en de vrijheden en voorrechten daarvan genieten.2 Zijn naam wordt op hen geschreven,3 zij ontvangen de Geest der aanneming,4 hebben met vrijmoedigheid toegang tot de troon der genade, zijn in staat gesteld ‘Abba, Vader’ te roepen,5 vinden ontferming,6 bescherming,7 worden door Hem verzorgd8 en gekastijd [getuchtigd] als door een vader.9 Zij worden echter nooit verstoten,10 maar verzegeld tot de dag der verlossing,11 en beërven de beloften als erfgenamen van de eeuwige zaligheid.12
Ef. 1:5; Gal. 4:4-5
Joh. 1:12; Rom. 8:17
2 Kor. 6:18; Openb. 3:12
Rom. 8:15
Gal. 4:6; Ef. 2:18
Ps. 103:13
Spr. 14:26
1 Petr. 5:7
Heb. 12:6
Jes. 54:8-9; Klaagl. 3:31
Ef. 4:30
Heb. 1:14; 6:12